Beleidigen Tablas de conjugación

El verbo "beleidigen" se usa principalmente con los significados de "ofender" o "insultar".

Conjugación de "beleidigen"

El verbo "beleidigen", conjugado con las diferentes personas y tiempos verbales:

Persona Präsens Präteritum Perfekt Plusquamperfekt Futur I Futur II
Ichbeleidigebeleidigtehabe beleidigthatte beleidigtwerde beleidigenwerde beleidigt haben
Dubeleidigstbeleidigtesthast beleidigthattest beleidigtwirst beleidigenwirst beleidigt haben
Er / Sie / Esbeleidigtbeleidigtehat beleidigthatte beleidigtwird beleidigenwird beleidigt haben
Wirbeleidigenbeleidigtenhaben beleidigthatten beleidigtwerden beleidigenwerden beleidigt haben
Ihrbeleidigtbeleidigtethabt beleidigthattet beleidigtwerdet beleidigenwerdet beleidigt haben
Sie / siebeleidigenbeleidigtenhaben beleidigthatten beleidigtwerden beleidigenwerden beleidigt haben
Conjugar más verbos